|
Vliegzalven
© Copyright 2007, Gonnie van
Elteren, Herba Sanitas Alle rechten gereserveerd
(tekst geschreven door Gonnie van Elteren, op deze
tekst rust auteursrecht, kopieren mag alleen met toestemming van de
auteur, en met vermelding van de naam van de auteur)
(De kruiden die
genoemd worden in dit artikel zijn LEVENSGEVAARLIJK! Experimenteer er
niet mee!

In Witchcraft Medicine, Fred Weidmann
“The
weather is fair, the wind is good;
Up, Dame, o’your horse of wood;
Or else tuck up your gray frock,
And saddle your goat or your green cock,
And make his bridle a bottom of thread
To roll up how many miles you have rid.
Quikly come away,
For we all stay.
Nor yet? Nay, then,
We’ll try her again.”
Ben Johnson, The Masque of Queens (1609)
Inleiding
Er zijn maar weinig aspecten van de geschiedenis der
hekserij, die zo tot de verbeelding spreken als het gebruik van bepaalde
zalven die heksen zouden laten vliegen naar sabbats en andere
bijeenkomsten en naar de slachtoffers van hun ‘duivelse praktijken’.
Wat inmiddels na wetenschappelijk onderzoek van de
diverse bronnen, is komen vast te staan, is dat deze zalven werden
samengesteld uit plantendelen met een sterk psychoactieve werking,
meestal behorende tot de Nachtschadenfamilie (Solanacea), naast volgens
de oude geschriften, een verzameling bizarre en soms zelfs sinistere
andere ingrediënten als babyvet, kattenhersenen en vleermuisbloed. De
belangrijkste sleutelingrediënten in de zalven waren planten als het
Bilzekruid (Hyoscyamus niger), de Wolfskers (Atropa bella-donna) en de
Alruin (Mandragora officinarum), maar ook andere kruiden als de
Doornappel (Datura stramonium), Gevlekte Scheerling (Conium maculatum),
Monnikskap (Aconitum napellus), Kalmoes (Acorus calamus),
Vijfvingerkruid (Potentilla reptans), Zwarte Nachtschade (Solanum
nigra), Cannabis (Cannabis sativa) en Papaver (Papaver somniferum)
worden genoemd.
Er zijn een aantal beschrijvingen van het gebruik van
dergelijke zalven overgeleverd vanuit geheel Europa, de eerste dateren
uit de 1ste eeuw na Chr. Het is waarschijnlijk dat het
gebruik dateert uit een Europees sjamanistisch verleden, ver voor de
geschreven geschiedenis begon. De veelal zeer giftige planten die
gebruikt werden in deze zalven, vereisten een diepgaande kennis die
waarschijnlijk van generatie op generatie werd overgeleverd, een
dergelijke kennisoverdracht over het gebruik van hallucinogene planten
zie je nu nog in Mexico en in het Amazonegebied.
Ook het gebruik van zalven en oliën als dragende substantie voor
hallucinogene middelen is al oud. Deze manier van aanbrengen werd ook
toegepast door de Azteken wiens zalven ingrediënten bevatte als giftige
insecten, hallucinogene planten en tabak. In Oezbekistan en andere delen
van Centraal-Azië grenzend aan Afghanistan worden extracten van cannabis
in de huid gewreven als een pijnstillende
massageolie.
Oudheid
De eerste beschrijvingen van iets wat mogelijk een
vliegzalf zou kunnen zijn of in ieder geval een zalf met een
hallucinogene werking komen uit de klassieke oudheid. De eerste is van
Ovidius in zijn ‘Metamorphoses’ (XV: 356), uit de eerste jaren van onze
jaartelling waarin hij een Scytische vrouw beschrijft die magische
zalven gebruikt om in een vogel te veranderen.

Romeins mozaiek met afbeelding
uit 'De
Gouden Ezel'
De tweede is uit ‘De Gouden Ezel’ van Lucius Apuleius
geschreven in 160 na Chr. Het boek handelt over Lucius, een jongeman
van voorname komaf en zijn avonturen met magie waarin hij veel te diep
betrokken raakt, de reden waarom hij in een gouden ezel wordt veranderd
en zijn tocht langs diverse steden in Thessalïe. Thessalïe in het oude
Griekenland had een stevige reputatie als een streek waar machtige
heksen vandaan kwamen. Ook Apuleius
beschrijft een transformatie in een vogel:
“Op een dag kwam Fotis vol angst op mij toe rennen
en zei dat haar meesteres om haar toverijen op haar geliefde manier te
doen, zich de volgende nacht in een vogel zou veranderen en weg zou
vliegen waarheen ze wilde. Daarvoor wilde zij mij uitnodigen om te komen
kijken. Toen middennacht naderde, leidde zij mij zachtjes in een hoge
kamer en vroeg mij om door een kier in de deur te kijken: waar ik eerst
zag, dat zij al haar kleren uittrok en een grote kist tevoorschijn trok
met daarin verschillende dozen, waarvan zij er een opende en wat van de
olie die het doosje bevatte op haar vingers nam. Daarop smeerde zij haar
lichaam van top tot teen in met de substantie. Nadat zij wat
onverstaanbare woorden had gepreveld en een kaars in haar hand had
genomen, begon ze onbedaarlijk te beven over haar hele lichaam en zie
daar, ik zag veren uit haar verschijnen, haar neus werd krom als een
snavel en haar vingers veranderden in klauwen en zo werd zij een uil.
Toen stootte zij een kreet uit en om haar kracht te bewijzen, hief zij
zichzelf van de grond, beetje bij beetje totdat zij op het laatst
wegvloog.”
De Gouden Ezel, Lucius Apuleius, Boek III, hoofdstuk 16:
Opkomst
Christendom
De eerste bronnen beschrijven het gebruik van deze zalven
nog vrij neutraal, meer als vast gegeven, maar nooit veroordelend. Met de
komst van het christendom werd dat heel anders, psychoactieve planten
boden een direct contact met de andere of Goddelijke wereld, zonder de
tussenkomst van een priester, dit feit maakte de vroege kerk angstig
voor het gebruik van deze kruiden, die blijkbaar zoveel macht hadden. Ook
de door de kruiden veroorzaakte hallucinaties werden als duivels gezien.
En net zoals de oude Goden gedemoniseerd werden, gebeurden dit ook met de
planten, die mensen in een andere dimensie brachten, waar de kerk geen
grip op ze had. De volksnamen in diverse talen van veel van dergelijke
planten herinnert nog aan dat demoniseringsproces. Bijvoorbeeld de
Nederlandse volksbenamingen voor Bilzekruid: Dolkruid, Doodbloem,
Hennebloeme, Henneblômen (Achterhoek, vergelijk met de Engelse naam voor
het Bilzekruid, Henbane, waarschijnlijk stamt deze naam uit het
Saksisch, en betekent ‘henne’ dood), Malkruid, Malwillempjeskruid,
Profetenkruid, Slaapkruid. De officiële Nederlandse naam ‘Bilzekruid’ is
weer afgeleid van de Keltische God, Belenos, de God van de Dood. Of de
Nederlandse volksnamen voor de Doornappel: Duivelsappel, Duivelkruid,
Satansappel en Dolappel.
Toch word er tot de late middeleeuwen nauwelijks actie
ondernomen, tegen het gebruik van dit soort kruiden, de grip van de kerk
op de mensen was in deze periode nog niet zo groot en veel
voorchristelijke gebruiken schemerden gewoon nog onder de oppervlakte.
Wel worden deze oude gebruiken steeds meer geassocieerd met hekserij,
iets dat weliswaar als een misdrijf wordt gezien, maar wat nog niet valt
onder de misdaden die de dood verdienden. Burchard van Worms bestraft
het met een jaar lang boetedoening, wat erg mild is, vergeleken met de
hel van later eeuwen.’De Canon Episcopi’, geschreven rond 900 AD (al
zijn er bronnen die het geschrift als veel ouder verklaren) en
eeuwenlang gezien als het officiële standpunt van de kerk over hekserij,
verklaard zelfs stellig dat "het bedrijven van hekserij niet meer is dan
een stompzinnige illusie" en dat het geloof in dergelijke spirituele
krachten gelijkstond aan ketterij,"daar men wel misleid moest zijn door
de duivel om dergelijke zaken als een realiteit te zien”. Wel werd in het
geschrift gesteld, dat het in gedachten aangaan van een pact met de
duivel, of het in de geest vliegen naar een sabbat, net zo erg was als dit
in werkelijkheid te doen en het werd dan ook strafbaar gesteld:
“Men kan ook niet onvermeld laten dat bepaalde verlaten
vrouwen, geperverteerd door Satan en verleidt door illusies en
fantasieën over demonen, geloven en openlijk verklaren, dat zij in het
holst van de nacht rijden op bepaalde beesten samen met de heidense
godin Diana, met een ontelbare horde vrouwen, en in de stilte van de
nacht over grote gebieden vliegen en de bevelen van hun meesteres
gehoorzamen, als ze opgeroepen worden door haar. Dat zou nog niet zo erg
zijn als deze vrouwen echter niet zoveel andere mensen doen geloven in
hun fantasieën en hun meevoerden in hun afvalligheid. Want een
onnoemelijk aantal mensen, misleid door deze valse ideeën, geloven
stellig deze verhalen en dwalen af van het ware geloof en vervallen
terug in hun heidense fouten, als zij denken dat er nog een heilige macht
of goddelijkheid bestaat naast die van de enige ware God. Het wordt nu
dan openbaar gemaakt aan eenieder, dat wie gelooft in dergelijke of
gelijkwaardige dingen het geloof verliest en hij wie niet het juiste
geloof in God heeft, is niet van God, maar van hem waarin hij gelooft,
namelijk de duivel, want over onze Heer staat geschreven: “Alle dingen
zijn gecreëerd door Hem”. Wie gelooft dat alles gemaakt kan worden of
dat een schepsel kan worden veranderd in een andere soort of een andere
gelijkenis, behalve door God zelf die alles maakt en door wie alles
bestaat is zonder enige twijfel een ongelovige.”
Canon Episcopi (ca. 900)
Een 12de eeuwse akte van een onbekende auteur
vertelt iets gelijkwaardigs:
“Bepaalde vrouwen, bekeerd tot Satan, geloven en bekennen
dat ze in de nachtelijke uren, samen met Diana, de Godin van de Heidenen
of met Herodias en Minerva en talloze andere vrouwen en hun orders
gehoorzamen. Maar je zou wel stupide moeten zijn, omdat allemaal te
geloven, dat deze zaken die alleen in de verbeelding plaatsvinden
werkelijk zouden gebeuren”.

Muurschildering van de Godin
Frigga uit Schleswig
In
het volksgeloof waren vliegende Godinnen blijkbaar altijd een rol
blijven spelen, zo zien we in de 12de eeuwse kathedraal van
Schleswig een afbeelding van de Germaanse Godin Frigga, vliegende op een
spinspoel, en herkennen we ook in de verhalen rond de Wilde Jacht in
Noordwest-Europa, nog een heidens karakter, al werden Wodan en Frigga ook
steeds meer vervangen door heksen en demonen.
De
Heksenjacht begint
Vanaf de 14de eeuw wordt deze min of meer
rationele en nuchtere houding van de kerk anders, steeds meer komen in
rechtszaken, de door de kerk veronderstelde band tussen hekserij en
satanisme centraal te staan. Het pact wat heksen met de duivel zouden
smeden om onheil te brengen, stond gelijk aan ketterij en daarop stond de
doodstraf. In 1320 vraagt Paus Johannes de XXII aan de inquisitie, om de
jacht te intensiveren op iedereen die duivels en demonen aanbidt, een
pact met hen aangaan of heilige voorwerpen gebruiken om magie te
bedrijven, dit was de eerste aanzet tot de officiële vervolging van
heksen of vermeende heksen. Paus Innocentius VII geeft in zijn “Summis
Desiderantes” een letterlijke vrijbrief aan de Inquisitie om heksen te
vervolgen (1484), en dan verschijnt ook nog in 1486 de eerste druk van
de beruchte “Malleus Maleficarum” (Heksenhamer), van de Duitse
Dominicaner broeders Heinrich Kramer en Jacob Sprenger. Ook het werk van
de Duitse professor Ulrich Molitor “De lamiis et phitonicis mulieribus”
uit 1489 moet genoemd worden, in tegenstelling tot de Malleus, werd dit
werk in het Duits vertaald, zodat grote groepen mensen van het nieuwe
gedachtegoed over hekserij kennis konden nemen. Door de uitvinding van
de boekdrukkunst in deze periode, werden deze rabiate ideeën over
hekserij razendsnel door geheel Europa verspreidt.
Vliegende
Heksen
Het idee dat heksen zouden kunnen vliegen, ook wel
transvectie genoemd, was meestal een van de hoofdbeschuldigingen tijdens
de heksenprocessen, en stond centraal in de gedachten, die over hekserij
de ronde deden. Verdachten werden beschuldigd van het vliegen op bezems,
spaden, hooivorken, eieren, zwarte rammen, geiten, katten, vleermuizen,
behekste mannen en zelfs zonder vehikel, gewoon op eigen kracht. Al was
men het er nog steeds niet over eens, of dergelijke vluchten werkelijk
plaatsvonden. In 1529 vond er een debat plaats tussen tien
hooggeplaatste inquisiteurs, zes van hen verklaarden dat heksen
werkelijk konden vliegen, drie verklaarden dat dit enkel in de
verbeelding gebeurden en de laatste was er niet geheel uit of het
verbeelding dan wel werkelijkheid was. En alhoewel zelfs Sprenger en
Kramer in hun “Malleus Maleficarum” toegeven dat sommige heksen
zich alleen maar verbeelden dat ze konden vliegen, waren ze toch stellig van
mening, dat de meesten wel degelijk toe in staat zijn om zich te
verplaatsen door het luchtruim.

De eerst bekende afbeelding van
heksen op bezemstelen uit 1440
Niettemin, zelfs een heks, die de sabbat alleen heeft
bezocht in haar verbeelding “is net zo’n
betrouwbare bron over wat plaatsvindt op een sabbat, als de heks die er
ook werkelijk naar toe vliegt.”
Op het moment, dat de nachtelijke vliegtochten ook
werkelijk als realiteit werden gezien, werd het mogelijk om iedere
bekennende heks te ondervragen over andere mensen die de sabbat dan wel
of niet bezochten. Marteling zorgde er wel voor dat de nodige namen boven
water kwamen. Bijna ieder heksenproces leidde tot een of meerdere andere
personen, die ook op de brandstapel of aan de galg eindigden. Om het
systeem soepel te laten verlopen, zonder al te veel bijkomende kosten
moesten de familieleden van de ‘heks’, de kosten van de marteling en de
executie betalen, en voor het eten van de rechters. In een aantal landen
was het verbranden van heksen een goede manier om rijk te worden,
aangezien land en goederen van de veroordeelde heksen werden
geconfisqueerd en aan de lokale autoriteiten werden overgedragen.
Vliegzalven
Het gebruik van zalven om te kunnen vliegen en zo de
sabbat te kunnen bezoeken wordt ook beschreven, een van de eerste
vermeldingen is in de zaak tegen de Ierse heks Alice Kyteler of Kettle
(what’s in a name) uit het begin van de 14de eeuw.
Zij werd verdacht van het in bezit hebben van een stok
die ze invette en waar ze opklom en waarmee ze door
“dik en dun kon galopperen”.
Volgens de vervolgers maakten heksen deze zalven zelf, of
ze werden gegeven door de duivel zelf aan heksen die anders moeilijk de
sabbat zouden kunnen bereiken. De beschreven ingrediënten werden steeds
gruwelijker van aard. In de late middeleeuwen en in de vroegmoderne tijd
duikt voor het eerst het bestanddeel ‘babyvet’ op en dan het liefst het
vet van een ongedoopt kind, het voorkomen van juist dit bestanddeel in
de vliegzalf, hangt nauw samen met de religieuze vervolgingen in de
middeleeuwen. Ook Joden werden beschuldigd van het doden van ongedoopte
kinderen, en het gebruiken van hun vet tijdens geheime rituelen.
Zowel
literaire bronnen, grimoires en rechtbankverslagen spreken soms
uitgebreid over het gebruik van de vliegzalven. Al moeten met name de
laatste altijd, met de nodige reserves worden bekeken aangezien het vaak
om bekentenissen gaat van ‘heksen’ die door middel van marteling zijn
verkregen, mogelijk werden hun woorden in de mond gelegd of gaven zij
door wat ze ook maar hadden gehoord vanuit de volkscultuur.
Twee van de boeken waarin een vliegzalf wordt beschreven
zijn ‘Het Boek van de Heilige Magie van Abremelin de Mage' (1458), door
Abraham de Jood en de 'De Miraculis Rerum Naturalium' (1560) door
Giovanni Battista Porta. In het verslag van Abraham de Jood wordt hij
van een zalf voorzien door een jonge heks, hij beschrijft de ervaringen
die hij heeft na het aanbrengen van de zalf op polsen en voeten:
“In
Linz werkte ik met een jonge vrouw, die mij op een avond uitnodigde om
met haar mee te gaan, mij verzekerend dat zij mij zonder gevaar zou
meenemen naar een plaats waar ik zeer graag zou verblijven. Ik stond
mijzelf toe om verleid te worden door haar belofte. Toen gaf zij mij
een zalf die ik op mijn enkels en polsen smeerde, net als zij deed, en
het was al gauw of ik in de lucht vloog naar de plek waar ik wilde zijn,
maar waar zij geen enkele weet van had. Ik zal zwijgen over de plaats
waar ik was. Ik voelde mij alsof ik wakker werd uit een lange diepe
slaap, en ik had veel pijn in mijn hoofd en voelde mij melancholiek, ik
draaide mij om en zag dat zij naast mij zat, zij begon te vertellen wat
zij had gezien, maar dat verschilde totaal van wat ik had gezien. Ik was
hoogst verbaasd omdat het mij toescheen dat ik werkelijk elders was
geweest en daar ook werkelijke dingen had gezien”.
Uit: Abramelin de Mage, Het Boek van de Geheime Magie van
Abramelin de Mage, Het Eerste Boek van de Heilige Magie, hoofdstuk VI
(1458)
Porta's
beschrijving staat in het hoofdstuk genaamd 'Lamiarum Unguenta'
(Heksenzalven), waarin hij een aantal recepten opsomt van vliegzalven:
"Alhoewel
zij een voor een groot deel op bijgeloof zijn gebaseerd, is het toch
duidelijk voor de toeschouwer dat deze zaken kunnen voortkomen uit een
natuurlijk kracht. Ik zal herhalen wat ik van hen gehoord heb. Door het
koken van een bepaald vet in een koperen ketel, wordt het water
verwijderd, en dikt het residu dat overblijft na het koken in. Dit
bewaren zij, en als zij het gaan gebruiken koken zij het opnieuw, en
voegen dan toe selderij, monnikskap, populierbladeren en roet, of in een
andere versie sium (waarschijnlijk gevlekte scheerling), kalmoes,
vijfvingerkruid, vleermuisbloed, wolfskers of belladonna en olie; het
toevoegen van andere ingrediënten aan deze mengsels hebben niet veel
toegevoegde waarde. Dan masseren zij hun hele lichaam, eerst met grove
halen om de huid warm en rood te maken en wanneer het vlees warm is en de
poriën geopend, dan smeren ze de zalf van het vet of de olie toe, zodat
de kracht van de plantensappen, diep kunnen doordringen en het effect
zonder enige twijfel sterker wordt. En zo denken zij dat ze in de
maanverlichte nacht door de lucht reizen en banketten en danspartijen
bezoeken en de omhelzing van schone jongelingen ondergaan.”
Uit: De Miraculis Rerum Naturalium, van Giovanni Battista
Della Porta. Boek II, Hoofdstuk XXVI Lamiarum Unguenta (Heksenzalf)
(1558).

Giovanni Battista Della Porta
Recepten
Ook recepten van zalven worden gegeven
en de overeenkomsten tussen de recepten onderling zijn groot. Een nogal
bewerkelijke zalf wordt beschreven in de ‘Errores
Gazariorum’
uit 1452, tevens het boek dat voor het eerst een heksensabbat
beschrijft:
“Men neme een roodharige man die bekend staat als een
goed katholiek, men verwijderd zijn kleren, bindt hem vast op een bank
en men laat dan giftige dieren op hem los. Wanneer hij overleden is aan
de beten en steken, hang dan het lichaam ondersteboven en plaats een kom
onder zijn hoofd en mond, laat de vloeistoffen die van het lichaam
komen terechtkomen in de kom. Meng dit met het vet van een gehangene, de
ingewanden van kinderen en de kadavers van de giftige dieren die men
gebruikt heeft om de roodharige man te doden. De manieren om zo
verkregen zalven te gebruiken zijn velen. Door ze op stokken en bezems te
smeren kan men deze voorwerpen in staat stellen te vliegen en iemand te
dragen of men kan de zalf op het lichaam smeren met hetzelfde effect”.
De formule van Hieronymus Cardanus of Geronimo Cardano
(1501-1576), een Italiaanse wetenschapper in zijn ‘De Varietate Rerum’
(1557) bevat de sappen van:
-
Selderij (Apium graveolens)
-
Wolfsmelk (Euphorbia spp)
-
Zwarte Nachtschade (Solanum nigrum)
-
Tormentil of Vijfvingerkruid – Potentilla tormentilla of
P. reptans
Dit alles vermengd met roet en krachtiger gemaakt met
Knoflook (Allium sativum), Dolik, een giftige grassoort (Lolium
temulentum) en bonenbrij.
Giovanni Battista Della Porta, de Italiaanse astroloog,
al eerder geciteerd geeft zelfs een aantal recepten in zijn “De
Miraculis Rerum Naturalium” uit 1558:
Recept
I
Vet (waarschijnlijk kindervet)
Kalmoes (Acorus calamus)
Populierbladeren (Populus spp)
Selderij (Apium graveolens)
Monnikskap (Aconitum napellus)
Zwarte Nachtschade (Solanum nigra)
Vleermuisbloed
Recept II
Kalmoes (Acorus calamus)
Vijfvingerkruid (Potentilla reptans)
Wolfskers (Atropa bella-donna)
Vleermuisbloed
Olie
Alles gekookt en verwerkt tot een zalf
Het is niet na te gaan waar deze schrijvers de recepten
vandaan hebben, of ze nu zijn verkregen via de plaatselijke dorpsheks,
zoals ze zelf vaak beweerden, of hebben deze goed onderlegde schrijvers
ze zelf verzonnen of van elkaar overgeschreven? Ingrediënten als
babyvet en vleermuisbloed behoorden toen al tot de vaste
heksenparafernalia en kunnen zijn toegevoegd om een wat ‘authentieker’
beeld te creëren van de genoemde zalven. Een aantal bestanddelen zijn
niet psychoactief, zoals Vijfvingerkruid, maar de verdovende en
hallucinogene werking van verschillende in de zalf aanwezige kruiden was
allang algemeen bekend bij geletterde mensen, omdat ze ook medicinaal
werden toegepast, bijvoorbeeld om te verdoven tijdens medische ingrepen.
Het is dus maar de vraag, in hoeverre de gemiddelde veroordeelde ‘heks’
werkelijk op de hoogte was van dergelijke zalven en of ze niet gewoon
onder de dreiging van marteling vertelde, wat ze van horen zeggen over
heksen wist, inclusief het bekende verhaal over de zalven.
In latere literaire en wetenschappelijke werken wordt
ook verwezen naar heksenzalven of vliegzalven, of deze beschrijvingen
authentiek zijn of geheel zijn ontsproten aan de fantasie van de
schrijvers is onduidelijk.
Een late beschrijving van een heksenzalf wordt gegeven
door Karl Knortz in zijn Hexen, Teufel und Blocksbergspuk in Geschichte,
Sage und Literatur uit 1900.
“De Tovenaressen nemen heimelijk een gewijde hostie,
geven deze aan een pad tot voedsel en verbranden daarna het beest. De as
wordt vermengd met het bloed van een ongedoopt kind, met zekere kruiden
(de schrijver duidt ze niet aan), en met beendermeel van een gehangene.”
Nog een late beschrijving van een heksenzalf is in
Histoire mythique de Shatan van Charles Lancelin uit 1905:
“In een welgesloten vat doet men 100 gram van een
geitenbokje (dit zou een eufemisme zijn voor een ongedoopt kind), 5 gr
beste hashisch, hennep en kollebloemen (klaproos): van elk een gelijke
hoeveelheid en genoeg om het vat te vullen, een vingergreep van gestampt
zaad van Zonnewende (Heliotroop europeum) en een vingergreep van poeder
van Nieskruidwortel (Helleborus niger), alles wordt op een zacht vuur
gezet gedurende 2 uren.
’s Avonds vooraleer het naar bed gaan moet men zich met
die zalf strijken achter de oren, over de hals langs de halsaders, dan
onder de oksels, in de streek van de grote sympathische zenuw naar den
linkerkant toe, over de knieholten, de voetzolen, de pols en de
onderarmen.”
In rechtbankverslagen lezen we soms ook over de zalf,
een 17de eeuwse Engelse heks bekende dat
“voordat zij naar hun bijeenkomsten gingen, “hun
voorhoofd zalfde met een olie die de Geest hun brengt.”
Andere
Engelse heksen verklaarden dat de olie werd aangebracht met een veer op
het voorhoofd, sommige zeiden dat deze onder de oksels werd gesmeerd.
Een van de laatste vermeldingen van vliegzalf in een
proces, is de zaak van Siri Jorgensdatter, een dertienjarig Noors
boerenmeisje dat in 1730 werd ondervraagd door de magistraten van haar
dorp, nadat ze haar overleden grootmoeder had beschuldigd van hekserij.
Zij vertelde dat haar grootmoeder haar had meegenomen op de rug van een
met vliegzalf ingesmeerd varken, naar een plaats genaamd Bloculla waar
een groep heksen samenschoolde om de duivel te aanbidden. Bloculla wordt
vaker genoemd als verzamelplaats voor Scandinavische heksen.
Zij verklaarde verder dat de duivel haar een merkteken
had gegeven, en dat zij de maaltijd samen met hem had gebruikt. Gelukkig
werd zij inmiddels niet meer geloofd door de autoriteiten die
ondertussen wat verlichter waren geworden en meer psychologisch inzicht
hadden verkregen.
Tegenstemmen
Zoals we al gezien hebben in de laatste beschrijving,
waren niet alle contemporaine bronnen overtuigd van de realiteit van de
helse nachtelijke ritten van de gemartelde ondervraagde heksen, soms
horen we in de oude geschriften ineens de stem van het gezonde verstand,
die zich afvraagt wat zich nu precies in de zalf van de heksen bevindt.
Bijvoorbeeld het verslag van de verlichte Spaanse arts
Andres Fernandez de Laguna (1499-1560), lijfarts van Karel V en Philips
II, die geloofde dat de gebruikers van de vliegzalven leden aan een vorm
van krankzinnigheid. De Laguna voerde zelf een aantal experimenten uit
met de zalven, niet op zichzelf maar op patiënten (ok, hij was slechts
een beetje verlicht……). Bijvoorbeeld op de vrouw van de beul van Metz.
Zijn beschrijving van het experiment is als volgt:
“In
de stad Metz heb ik de vrouw van de beul van top tot teen ingesmeerd met
zalf. Door jaloezie op haar man had zij al tijden niet geslapen en was
ze daardoor halfkrankzinnig geworden. Niet lang nadat ik haar had
ingesmeerd opende zij haar ogen wijd zoals een konijn, en niet lang
daarna leken zij op de ogen van een gekookte haas waarna zij in zo’n
diepe slaap viel dat ik pas in staat was haar te ontwaken na een
periode van 36 uur en ik haar bij zinnen kon brengen. Haar eerste
woorden waren: “Waarom heb je me ontwaakt op zo’n bijzonder moment, ik
was omringd door alle heerlijkheden op deze wereld”.
De
Franse filosoof en astronoom
Pierre Gassendi (1592-1655) slaagde erin een paar
onwetende boeren in te smeren met een vliegzalf, die prompt in een diepe
slaap vielen, bij het ontwaken gaven zij verslag van een bezoek aan een
sabbat.
Baptista Porta, beschrijft in zijn eerder genoemde werk
het vreemde gedrag van sommige mannen die onder de invloed waren van een
sterke heksenzalf. Hij vermeldt het geval van een man, die dacht dat hij
in een gans was veranderd, gras at en met zijn mond in de grond wroeten
al was het een snavel, gakkend en wapperend met zijn handen al waren het
vleugels. Een andere man dacht dat hij een vis was en bewoon zich als
een vis over de grond.
Francis
Bacon (1561-1626), een van de grondleggers van de moderne wetenschap,
merkte op dat de ‘verbeeldingen’ (hallucinaties) van de Thessalische
heksen in de oudheid en die van hun latere Europese soortgenoten niet
veroorzaakt werden door spreuken en rituelen, maar door zalven die een
“verdovende en slaapverwekkende werking hadden”. Hij begreep ook dat
slechts enkele ingrediënten in de bekende zalven een hallucinerende
werking hadden.
Seksualiteit
Seksualiteit speelde een belangrijke rol in de verhitte
fantasieën van de inquisiteurs en ook sommige vrouwelijke verdachten. Vrouwelijke heksen zouden een
ongebreidelde seksualiteit bezitten, seks hebben met de duivel in de
gedaante van een bok en het vermogen hebben om mannen impotent te maken.
In de vorm van een Succubus brachten ze nachtelijke bezoeken aan
slapende mannen en beroofden hen van hun zaad. De angst voor de
seksualiteit van vrouwen zat er diep in, vooral in de ‘Malleus
Maleficarum’, komt deze angst heel sterk naar voren, door Sprenger en
Kramer wordt de angst voor vrouwen regelrecht omgezet in een alles
verterende vrouwenhaat. In de Malleus wordt duidelijk dat deze
dominicaner paters, vrouwen nauwelijks als menselijke wezens zagen.
De hallucinaties die opgeroepen werden door de
psychoactieve bestanddelen in de gebruikte planten in de heksenzalf
waren ook vaak van een seksuele aard, met name Doornappel, Alruin en
opium kunnen zorgen voor erotisch getinte beelden. Het aanbrengen van de
zalf met een bezemsteel in de vagina en anus werd ook snel onderdeel van
de folklore rond hekserij.
Toch zit er een grond van waarheid in het verhaal, omdat
de dunne huid in vagina en anus zorgden dat de werkzame stoffen van de
planten sneller opgenomen werden door het lichaam.
Heksen
in de kunst
Samen met de opkomst van de boekdrukkunst en de
verspreiding van de geschreven ideeën over hekserij, zien we ook in de
kunst, en dan vooral in de gravurekunst, een toenemende aandacht voor het
fenomeen hekserij. Uiteraard bood het de kunstenaars een aantrekkelijk
onderwerp, en was er een markt voor. Pamfletten die een proces
aankondigden, werden geïllustreerd met gravures van de vermeende magische
activiteiten van de verdachten en ook de boeken die over het onderwerp
handelden hadden vaak enkele houtsnedes. Vliegende heksen waren favoriet
als afbeelding. Het gebruik van zalven, zien we ook een aantal malen
terug in afbeeldingen over hekserij. Heel bekend zijn de afbeeldingen
van Hans Baldung Grien en van Albrecht Dürer.

Heksen, Hans Baldung Grien,
1508
Shape-shifting
Naast de sensatie van het zich schijnbaar vliegend door
de lucht verplaatsen, veroorzaakte het gebruik van vliegzalven ook andere
hallucinaties, zo waren veel gebruikers in de veronderstelling dat ze in
dieren veranderden. Monnikskap bijvoorbeeld kan de gebruiker het idee
geven dat hij of zij veren of een vacht heeft. Het vermogen om van vorm
te veranderen, werd net als het vliegen beschouwd als een van de
kenmerken van heksen. In eerste instantie werd ook het van vorm
veranderen, als een onmogelijkheid gezien door de vroege kerk, alleen God
zelf kon zorgen voor dergelijke verschijnselen. Nicolaas Remy, een van
de meest vooraanstaande demonologen van de 16de eeuw schreef:
“De Demon kan de geest van een man zo begoochelen dat deze gelooft dat
hij is veranderd, en dan handelt en gedraagt de man zich niet als een
mens, maar als het beest waarin hij denkt te zijn veranderd. “
Andere autoriteiten beweerden echter in de loop van de 16de
eeuw wel, dat het veranderen van vorm een veel voorkomende praktijk was
onder heksen en geleidelijk werd het idee van ‘shape-shifting een vast
onderdeel van de heksenwaan die Europa in haar greep hield. Ook veel
‘heksen’ beaamden (vaak na marteling), dat zij in staat waren te
veranderen in diverse dieren, vooral katten, honden, wolven en hazen
waren favoriete verschijningsvormen, maar ook vogels en bijen worden
genoemd in de rechtbankverslagen.
Shape-shifting is binnen het sjamanisme een bekend
verschijnsel, dat teweeg kan worden gebracht door meditatie, maar ook
weer door het gebruik van hallucinogene planten.
Een mooie beschrijving van een shape-shiftingervaring
door het gebruik van in dit geval Doornappel (Datura stramonium), is die
van Carlos Castenada. Castaneda beweert dat hij een extract van de
wortel dronk en zijn lijf insmeerde met een pasta of zalf. Wat volgde
was in zijn woorden een buitengewone belevenis. Later bespreken
Castaneda en zijn Yaqui mentor, de medicijnman Don Juan Matus de
ervaring en de opgedane lessen. In dit gesprek vertelt Castaneda over
een vraag, die hij al de hele dag wilde stellen, ondanks dat hij wist dat
Don Juan hem het antwoord zou weigeren, maar uiteindelijk vraagt hij het
toch: “Vloog ik werkelijk?” In een interview met Jane Hellisoe van de
Universiteit van California vertelde Castaneda over het antwoord van Don
Juan:
“In het struikgewas,”antwoordde hij snel en adrem en
barstte vervolgens toch in lachen uit. “Het probleem met jou is dat je
dingen, maar op een manier bekijkt. Jij denkt niet dat een man kan
vliegen; en toch kan een brujo (mannelijke heks) wel duizend mijl per
seconde vliegen om te zien wat er allemaal gebeurt, hij kan zijn
vijanden verslaan van een verre afstand, dus vliegt hij wel of niet?”
”Ziet u wel Don Juan, wij bekijken de zaken op een andere manier. Stel
dat een van mijn beste studenten nu bij mij was terwijl ik het
Duivelskruid tot mij nam, zou hij mij hebben zien vliegen?” “Daar ga je
weer met je vragen over stel dit en stel dat, het is zinloos zo te
praten. Als je vriend of wie dan ook een tweede portie van het kruid zou
nemen kan hij alleen maar vliegen. Nu als hij alleen maar naar je had
gekeken, dan zal hij je misschien hebben zien vliegen of misschien niet,
dat hangt van de man af” “Maar wat ik bedoel Don Juan , is dat als jij
en ik naar een vogel kijken die vliegt, dan zijn we het er over eens dat
de vogel vliegt. Maar als twee van mijn vrienden mij zouden zien vliegen
zoals gisteravond, zouden zij het dan ook met elkaar eens zijn geweest?”
”Nou dat is heel goed mogelijk. Je bent het met mij eens dat vogels
kunnen vliegen omdat vogels gewoonlijk kunnen vliegen. Maar je bent het
niet met mij eens over andere zaken die vogels doen omdat je die een
vogel nog nooit hebt zien uitvoeren. Als je vrienden zouden weten over
mannen die kunnen vliegen met behulp van Duivelskruid, dan zouden ze het
eens zijn over jouw vliegkunst.” ”Laat het mij op een andere manier
stellen Don Juan, wat ik bedoel is, stel dat ik mijzelf aan een zware
rots had geketend, dan zou ik ook gevlogen hebben, omdat mijn lichaam
niks van doen had met mijn vliegen. “”Als je jezelf aan een rots had
geketend, dan ben ik bang dat je had moeten rondvliegen met een zware
steen aan een ketting”.
Don Juan's Teachings: Further Conversations with Carlos
Castaneda, 1968.
De
planten in de heksenzalven
Een aantal planten wordt consequent genoemd in de
recepten en verslagen over vliegzalf of heksenzalf. Van een aantal van
deze planten is bekend dat ze een sterk psychoactieve werking hebben. De
meeste zijn zeer giftig en reeds een kleine dosis kan zorgen voor de
dood. Vaak behoren ze tot de familie van de Nachtschadigen, maar ook
andere dodelijk giftige planten worden genoemd. De werkzame stoffen zijn
verschillende alkaloïden als atropine, scopolamine, hyoscamine, coniïne
en aconitine, die een ingrijpend effect op het zenuwstelsel hebben en
kunnen zorgen voor de zinsbegoochelingen zoals deze worden beschreven in
de historische verslagen over het gebruik van heksenzalven. Hieronder
een uitgebreidere beschrijving van een paar van de veelgenoemde planten
in de zalven en hun specifieke effect.
Wolfskers – Atropa bella-donna
Een overblijvende plant uit de Nachtschadenfamilie, met
paarsbruine bloemen en grote aan de bovenzijde behaarde bladeren, na de
bloei verschijnen de bessen, die eerst groen zijn maar later zwart.
Wolfskers wordt tussen de 50 en 150 cm hoog. De plant is in alle
opzichten zeer giftig. In Nederland alleen in Zuid-Limburg te vinden, in
de rest van Europa wat algemener.
Wolfskers is een plant met een zeer rijke geschiedenis,
de botanische geslachtsnaam is een verwijzing naar een van de drie Fates
of Onheilsgodinnen, Atropos, degene die de levensdraad doorknipte, de
soortnaam bella-donna is een verwijzing naar het gebruik in de
Renaissance om wat van het sap van de plant in de ogen te sprenkelen, de
pupillen verwijdden zich dan en vrouwen werden daardoor aantrekkelijker
gevonden in die tijd, belladonna betekent dan ook mooie vrouw. Het kruid
diende als middel om vijanden en ongedierte te doden, als
verdovingsmiddel bij operaties en natuurlijk als bestanddeel van
heksenzalven.
Wolfskers bevat in alle delen de alkaloïde hyoscamine,
de hoogste concentratie bevindt zich in de bladeren, tot 1,5%, de
alkaloide scopolamine komt alleen in zeer kleine hoeveelheden voor en is
niet belangrijk voor de werking. De alkaloide atropine die vaak genoemd
word als bestanddeel maar is eigenlijk een onderdeel van hysocamine.
De plant heeft een onderdrukkend effect op het centrale
zenuwstelsel, de hartslag wordt sneller, de plant kan hallucinaties
teweeg brengen van zicht en gehoor. Uiteindelijk geeft het een diepe
slaap en bij een overdosering (die makkelijk kan optreden aangezien
slechts een kleine hoeveelheid al fataal kan zijn) uiteindelijk de dood.
Doornappel – Datura stramonium
Doornappel is een eenjarige grote, stevige kruidachtige
plant uit de Nachtschadefamilie, wordt ongeveer 100 cm hoog. De stengel
is stevig, de donkergrijsgroene bladeren zijn groot en langwerpig en
hebben een onaangename geur. De plant bloeit de hele zomer, de bloemen
zijn groot, klokvormig en wit of paars van kleur, de bloemen openen ’s
avonds om bestoven te worden door nachtvlinders en hebben een zware
zoete geur. De bloemen worden opgevolgd door grote ovale zaadcapsules
die overdekt zijn met stekels, waar de naam van de plant ook al naar
verwijst, wanneer ze rijp zijn springen de zaaddozen open bij de top
waardoor de zaden vrij komen. Het oorsprongsgebied van de Doornappel is
niet echt duidelijk, in Europa wordt gedacht dat de plant oorspronkelijk
uit Noord-Amerika komt, terwijl de botanisten daar eerder denken aan
Eurazië. In Nederland komt de plant af en toe in het wild voor.
In het oude Egypte werd de Doornappel medisch toegepast
en er zijn aanwijzingen dat de plant ook gebruikt werd als cultusplant
om zijn psychoactieve kwaliteiten.
Ondanks de stevige reputatie als heksenkruid, werd de
Doornappel gewaardeerd als geneeskruid door geheel Europa. Gedurende de
middeleeuwen werden Doornappelbloemen verkocht als afrodisiacum in Zuid
- en Midden-Europa. Het had de reputatie dan het iedere weerstand brak
bij seksuele toenadering.
Doornappel bevat dezelfde alkaloïden als Wolfskers, maar
in kleinere hoeveelheden, het gemiddelde van commerciële monsters is
ongeveer 0,22 %, maar dat kan stijgen tot 0,4 %.. Deze alkaloïden zijn
alle giftige componenten. De alkaloïden veroorzaken een versnelde
hartslag, vermindering van de secretie van slijmvliezen, een droge mond
en soms kramp. In eerste instantie zijn de mentale effecten opwinding,
men kan ongecontroleerd gaan lachen, vergeetachtigheid treden op en een
monotoon herhalen van nutteloze handelingen. Levendige hallucinaties en
deliriums treden op, sommige mensen kunnen heel gewelddadig worden van
Doornappel. Na de heftige periode volgt een periode van diepe slaap,
waarin verder word gehallucineerd, vaak hebben de beelden een seksuele
aard. Na het ontwaken kan er een katerig gevoel zijn en tijdelijk
geheugenverlies.
Alruin – Mandragora officinarum
Alruin is een overblijvende plant uit de
Nachtschadefamilie, ze heeft geen stengel en kan ongeveer 30 cm worden.
ze heeft een dikke, vaak gevorkte wortel en lange, rimpelige, ovale
bladeren, die in meer of mindere mate ingevoerd zijn en ongeveer 28 cm
lang zijn. De witgroene, blauwige of paarsachtige bloemen worden 3 cm
lang en groeien in groepjes tussen de bladeren. De bolvormige, sappige
vruchten zijn geel van kleur, zo groot als een kleine appel en ook sterk
geurend naar deze vrucht. In Nederland komt Alruin niet in het wild
voor.
Geen plant uit de Oude Wereld heeft zo op de verbeelding
gewerkt als de Alruin, al heel vroeg werd vooral het oogsten van de
plant met veel mysterie omgeven. Pythagoras had de wortel al omschreven
als ‘antropomorf’ oftewel een ‘miniatuurmensje’. Theophrastus schreef in
de 3de eeuw voor Chr. dat verzamelaars van deze plant er
eerst cirkels omheen trokken en dan de top eraf sneden, dit alles
terwijl ze naar het westen keken, de rest van de plant werd dan geoogst
onder het zeggen van speciale formules en het uitvoeren van bepaalde
dansen. De mythen rond de Alruin werden steeds vreemder, zo zou de plant
zich overdag verbergen, maar ’s nachts stralen als een ster, en als ze
uit de grond werd getrokken dan gilde ze zo afgrijselijk dat de degene
die het zou horen onherroepelijk zou sterven.
De eerste Christenen geloofde dat de Alruin een
probeerseltje was van God, voordat hij zich waagde aan de creatie van
Adam en Eva. In oude kruidenboeken wordt de Alruin dan ook steevast
afgebeeld als een mannetje met een baard of een vrouwtje, de
bovengrondse delen van het kruid vormen dan het haar van de wezentjes.
De Alruin was ook een bekend magisch middel, men gebruikte het veel als
geluksbrengende talisman. Als de hiervoor beschreven moeilijkheden bij
het verkrijgen van een Alruinwortel had overwonnen en men eenmaal in het
bezit was een ‘galgenmannetje’ dan waren de problemen nog niet voorbij.
De wortel moest elke vrijdag gebaad worden in melk of wijn, men gaf de
wortel speciaal voedsel, en men trok de wortel zelfs kleertjes aan van
de fijnste stoffen zodat hij nog meer op een mensje ging lijken.
De Alruin bevat in de wortel en de bladeren weer de
bekende alkaloïden die ook familieleden als de Wolfskers en de
Doornappel bezitten: tot 0,4% hyoscyamine en scopolamine. Bij een
overdosering wordt de dood veroorzaakt omdat de luchtwegen verlammen.
Bilzekruid
– Hysocamus niger
Een één – of tweejarige plant uit de Nachtschadenfamilie,
wordt tussen de 50 en de 80 cm hoog. De bladeren zijn ovaal tot
langwerpig, grijsgroen van kleur en wollig behaard. De trechtervormige
bloemen zijn allen naar één kant gericht en staan boven aan de stengel
in een losse bloeiwijze. Ze zijn vuilgeel van kleur met bruine of
violette aderen, de bloeitijd is van juni tot in de herfst. De zaden
zitten in een klokvormige doosvrucht, die bij het rijp worden met een
dekseltje openspringen. De hele plant verspreidt een onaangename
bedwelmende geur. Een plant die graag in de buurt van puin en
afvalplaatsen groeit, verder ook wel langs wegbermen, ze volgt de mens.
Inheems in heel Europa. In Nederland zeldzaam.
Een van de eerste vermeldingen van het gebruik van
Bilzekruid is in een beschrijving van een tuin van ēēn van de koningen
van Babylon, die stamt uit de achtste eeuw v. Chr., vermoedelijk werd
het door de Babyloniërs toegepast als pijnstillend middel.
de Oude Grieken dat de doden in de Hades ook waren
gekroond met een krans van Bilzekruid, terwijl ze wanhopig langs de Styx
liepen. Omstreeks het jaar 1000 beschreef de Islamitische wijsgeer Ibn
Sina, die in het westen beter bekend is als Avicenna, een door
Bilzekruid opgewekt delirium, hij noemt onzinnigheid, mensen die zich
gegeseld voelen en personen die balkten als ezels. Een literaire
verwijzing naar het kruid vindt men in Shakespeare’s ‘Hamlet’, waarin de
geest van Hamlet’s vader vertelt hoe hij door zijn broer werd vergiftigd
door het gieten van het sap van Bilzekruid in zijn oor, tijdens zijn
middagdutje. Zo werkt Bilzekruid overigens niet.
Het alkaloïdengehalte in de zaden is hoogstens 0,3%, de
bladeren bevatten tot 0,2% alkaloïden. Bilzekruid bevat duidelijk minder
alkaloïden dan Wolfskers, Bilzekruid heeft dan ook meer een dempende
werking. Chemisch bevat Bilzekruid uit naast hyoscyamine ook nog uit een
aanzienlijk deel scopolamine. Bij acute vergiftiging treden
prikkelingen van de zintuigen en hallucinaties op. Sensaties als vliegen
en gedaanteveranderingen, bijvoorbeeld in een dier worden als reëel
ervaren.
Zwarte Nachtschade – Solanum nigrum
Eenjarig kruid uit de Nachtschadenfamilie, De wortel is
kort en slechts oppervlakkig gegrond, het kruid wordt ongeveer tussen de
15 en 80 cm hoog, de stengel is sterk vertakt, de blaadjes zijn gesteeld
en afwisselend geplaatst, donkergroen, ovaal toegespitst en bochtig
getand. De witte bloemen hebben de typische Nachtschadenvorm, die je ook
terugvindt bij aardappelen, tomaten en bitterzoet, de bloeitijd is van
juni tot oktober. De vruchten zijn bessen die eerst groen zijn en later
verkleuren naar diepzwart. De verspreiding is wereldwijd, Zwarte
nachtschade groeit letterlijk overal, langs wegen, ruderale terreinen,
bossen en struikgewas.
In
Bohemen in het huidige Tsjechië werd het blad van de Zwarte Nachtschade
in wiegjes gelegd om de kinderen in slaap te helpen brengen. De
Arabieren plaatsen de verse bladeren op brandwonden en zweren Er zijn
afbeeldingen bekend waarop de Zwarte Nachtschade door het Christuskind
wordt vastgehouden.
In de onrijpe bessen van de Zwarte Nachtschade zit tot
1,5% solasodine en ook in het kruid komt deze alkaloïde voor. Deze soort
heeft de reputatie nogal giftig te zijn maar daarover verschillen de
meningen nogal. Bij experimenten op honden zijn verschillende resultaten
naar voren gekomen, dit kan verklaard worden doordat de meest actieve
inhoudsstof solasodine, per plant nogal in gevarieerde hoeveelheden kan
voorkomen. De bessen zijn zeker giftig voor kinderen, maar de rijpe
bessen vormen voor volwassenen geen groot gevaar. Vee eet niet van deze
plant.
Cannabis – Cannabis sativa
Eenjarige plant uit de Hennepfamilie, heeft meestal een
slanke stengel met zijtakjes en kan een hoogte bereiken van 5,4 meter.
Meestal is deze soort tweehuizig. De mannelijke plant sterft na het
verliezen van het stuifmeel al snel af terwijl de vrouwelijke plant
sterker is en meer blad draagt. De bladeren zijn handvormig met tussen
de 3 en 15 vingers, maar meestal slechts 7 of 9, variabel van grootte,
langgerekt en diep ingesneden en tussen de 6 en 10 cm lang en 1 ½ cm
breed. De bloemen zijn enkelvoudig op oksel – of eindstandige twijgen,
donkergroen, soms geelgroen of bruinpaars van kleur. De vrucht is
eivormig en iets afgeplat, hard en bruinachtig van kleur, met een
volledige kelk en meestal zonder geaderd oppervlak Stevig aan de stengel
bevestigd zonder duidelijke scheiding. De plant heeft een zeer
kenmerkende geur. Komt voor in de warme en gematigde gebieden.
Volgens de Indiase traditie hebben de Goden ons Cannabis
geschonken zodat we genot, vreugde, leeuwenmoed en seksueel genot kunnen
ervaren. Toen er nectar of amrita uit de hemel viel ontsproot daar de
Cannabis uit. Weer een andere legende verhaalt hoe de Goden geholpen
door de demonen door de oceaan van melk roerden en dat een van de
nectars die daar het resultaat van was Cannabis was. Het was gewijd aan
Shiva en het was de favoriete drank van Indra. Een van de eerste
verbouwde gewassen en ook een van de nuttigste gewassen van de mensheid.
Het kruid heeft wel vijf mogelijkheden om het te gebruiken, als vezel,
als voedsel (het zaad bevat veel voedingswaarde), als geneesmiddel, als
roesmiddel en als bron van olie. Het verbond tussen de mens en de
Hennepplant is wellicht al 10.000 jaar oud, gezien de vele nuttige
toepassingen is Hennep verspreid over de hele wereld. Op archeologische
vindplaatsen van het begin van de Aziatische beschaving in China, 4000
v. Chr. heeft men sporen gevonden van Hennepvezels. Henneptouw – en
garen heeft men gevonden in Toerkestan op vindplaatsen die teruggaan tot
3000 v. Chr. Stenen werktuigen om Hennepvezels te stampen en de
indrukken van Henneptouw in de randen van gebakken aardewerk zijn
aangetroffen in op Taiwan. Ook in Turkije heeft men overblijfselen van
Hennepweefsel aangetroffen in vindplaatsen van de 8ste eeuw
v. Chr., en in een Egyptisch graf bevindt zich een twijfelachtige
afbeelding van wat Hennep geweest kan zijn die dateert uit 3000 –2000 v.
Chr. In de Indiase Veda’s wordt Cannabis bezongen als een van de
Goddelijke nectars, in staat alles te geven van een goede gezondheid tot
een lang leven en visioenen van de Goden. De Zend-Avesta uit 600 v. Chr.
noemen een bedwelmende hars en de Assyriers gebruikten Hashish al als
een soort wierook in de 9de eeuw v. Chr.
Cannabis heeft twee actieve ingrediënten namelijk
tetrahydrocannabinol of THC, en
cannabidiol of CBD. Beide stoffen vallen onder de cannabinoïden, ze
hebben een psychoactieve werking, omdat THC en CBD binden met speciale
receptoren in het gehele lichaam. De hersenen maken ook een eigen
cannabinoïde aan (anandamide), die betrokken is bij het pijngevoel,
geheugen en het immuunsysteem. De effecten van Cannabis zijn een
veranderend gevoel van de werkelijkheid, een roes en bij hevig gebruik
hallucinaties.
Slaapbol – Papaver somniferum
Eenjarige plant uit de Papaverfamilie die tot 120 cm hoog
kan worden en bloeit met prachtige rode of purperen bloemen, de plant
heeft een kale stengel en blauwgroenige bladeren, de gehele plant bevat
een wit melksap. Oorspronkelijk komt de plant uit Klein- Azië en het
Midden-Oosten, maar is inmiddels in cultuur gebracht over de gehele
wereld in streken met een vergelijkbaar droog en warm klimaat.
De Slaapbol is een van de oudste cultuurplanten van de
mensheid, men gebruikte de olie uit de zaden en waarschijnlijk was men
ook al op de hoogte van de verdovende werking van het melksap. De
Slaapbol was een belangrijke cultusplant en was gewijd aan Demeter en
aan Ceres, beide Godinnen van de Landbouw. De latex in de plant is de
grondstof voor opium, heroïne, morfine, codeïne, stoffen die zowel zeer
nuttig zijn maar ook heel gevaarlijk. Ruwe opium werd toegevoegd aan
sommige heksenzalven, pas in de 19de eeuw begon men met het
chemisch isoleren van de werkzame alkaloïden in de Slaapbol.
Het sap in de rijpe zaden bevat een 40-tal alkaloïden
waarvan de belangrijkste zijn noscapine ( methoxyhydrastine ), morphine,
thebaine, codeïne, papaverine en narceïne. Deze hebben een sterk
verdovend effect en kunnen voor hallucinaties zorgen.
Klaproos – Papaver rhoeas
Eenjarige plant uit de Papaverfamilie, laat vaak
reeds een dag na het opengaan van de bloemen de kroonbladeren al weer
vallen. Het is een hoge, rechtop groeiende plant met grote aparte
bloemen. De onderste bladeren zijn gesteeld en in smalle lobben
verdeeld. De bovenste bladeren zijn ongesteeld en meestal slechts
drielobbig, de stengel is bedekt met horizontale afstaande haren. De
hoogte is 30 tot 60 cm. De bloemen zijn prachtig scharlakenrood maar erg
teer. De bloeitijd is van mei tot juli. Na de bloei verschijnen de
doosvruchten. Deze plant bevat veel melksap. Kwam vroeger veel voor in
graanvelden, maar door de onkruidbestrijding zien we dit steeds minder.
Al in de Oudheid werd het verband gelegd tussen de
klaproos en het graan, Ceres de Romeinse Godin van de Landbouw, werd
vaak al met een krans van klaprozen afgebeeld. Er zijn legendes, zowel
uit het Oude Rome als uit het moderne Frankrijk die verhalen dat de
bloemen op een slagveld verschijnen als de grond is doordrenkt met het
bloed van duizenden doden, waarbij men geloofde dat het vergoten bloed
er verantwoordelijk voor was. Inmiddels weet men dat dit verschijnsel
veroorzaakt wordt door de omgewoelde grond na een veldslag, waardoor er
een goede bodem ontstaat voor het klaprooszaad.
De rijpe verse zaaddozen van de Klaproos bevatten in het
melksap in grote mate hetzelfde type alkaloïden als de Slaapbol met
eendere eigenschappen als opium maar dan veel milder, de belangrijkste
aanwezige alkaloïden zijn isorhoeadine, papaverrubines, protopine,
rhoeadine en stylopine, waarvan rhoeadine de belangrijkste is. Het
effect is een milde roes bij een hoge dosering.
Kalmoes – Acorus calamus
Lid van de Aronskelkfamilie, en net als veel van zijn
familieleden giftig. Een waterplant die wordt aangetroffen in sloten met
stilstaand water. De ondergrondse wortelstok kan een lengte van 150 cm
bereiken, van waaruit lange uitlopers naar beneden groeien. In Europa
schiet de plant geen zaad, maar vermeerderd zich via de wortelstok. Uit
de wortelstok groeien vlezige, zwaardvormige, rechtopstaande bladeren in
stevige bundels die tot 100 cm lang worden, aan het eind van de
ondergrondse wortel ontstaat een bloeistengel die een stevige,
cilindrische bloeikolf draagt van 10 cm lengte, die dicht bezet is met
groengele bloemetjes. In Nederland een beschermde plant, maar
plaatselijk nog algemeen aanwezig.
Kalmoes wordt al genoemd in oude Egyptische teksten, in
hoeverre het medicinaal werd gebruikt in onbekend, wel werd de
aromatische olie uit de wortel gebruikt in parfums. In de bijbel wordt
Kalmoes ook vermeldt, in Exodus 30:22-38, worden de grondstoffen
opgegeven om een heilige zalfolie en heilig reukwerk te bereiden, in de
zalfolie komen mirre, kaneel, kalmoes, kassia en olijfolie voor. Ook
Dioscorides noemt het kruid. Binnen de traditionele Islamitische
geneeskunst werd/wordt het toegepast bij maagzweren, leverinfecties, en
in een kompres zou het een zweer aan de vinger van Mohammed hebben
genezen. In de Middeleeuwen werd de plant toegepast als middel tegen de
pest. Ook strooide men het gesnipperde blad op de vloer zodat er een
heerlijke geur ontstond. Kalmoes is een bekend ingrediënt van Berenburg.
De etherische olie van de kalmoeswortel bevat
monoterpene hydrocarbonen, sequestrine ketones, asaroon en beta-asaroon.
De asaronen in de wortel hebben een licht geestverruimende werking. De
Cree-Indianen in Noord-Amerika gebruiken de inheemse Kalmoes in
sjamanistische trance-reizen, en ‘kunnen zo grote afstanden afleggen
zonder de grond te raken’. Het effect is stimulerend bij kleinere
hoeveelheden, grotere hoeveelheden veroorzaken een
bewustzijnsverandering die kan lijken op LSD.
Vingerhoedskruid – Digitalis purpurea
Tweejarig lid van de Helmkruidfamilie, wordt tot 150 cm
hoog. Heeft grote behaarde bladeren en een stevige onvertakte stengel,
die sterk behaard is maar weinig bladeren draagt. Op het bovendeel van
de stengel vindt men in de bladoksels de losse trossen der 4 tot 5 cm
lange bloemen die roze tot purper van kleur zijn. Komt ook in Nederland
voor, soms verwilderd, maar ook in het wild. Vingerhoedskruid houdt van
vocht en schaduw.
Voor een kruid dat zelfs door leken wordt herkend als
een medicinaal kruid, heeft het Vingerhoedskruid een betrekkelijk korte
geschiedenis. Hij wordt wel genoemd door herboristen als Culpeper,
Dodoens en Gerard, maar niet voor het doel waar hij tegenwoordig voor
wordt gebruikt, maar als middel bij oedeem. De Engelse arts Dr. William
Whithering leerde het gebruik als hartmiddel kennen van een kruidenvrouw
in zijn omgeving. Hij schreef een verhandeling over de teelt, het
oogsten, drogen en verwerken van het kruid, “Account of the Foxglove”
uit 1785. De vlekken op de bloemen zouden zijn ontstaan omdat de elfen
er met hun vingers aanzaten, een andere legende vertelde dat de vlekken
een waarschuwingsteken waren voor het giftige karakter van de plant.
Vingerhoedskruid bevat de glycosiden digitaline,
digitoxine, digitonine, digitalacrine, en verder wat saponinen, flavonen
en looistoffen. In een volle dosering verhoogt Vingerhoedskruid de druk
in de vaten, direct gevolgd door een forse daling, het werkt stimulerend
op de hartspier en op het zenuwstelsel. Een overdosering veroorzaakt een
juist een verminderde hartwerking en een verstoorde hartslag. Effect bij
juiste dosering is een directe stimulans van de hartspier. Mogelijk werd
het kruid in heksenzalven toegepast omdat het de giftige effecten van
Monnikskap kan indammen.
Monnikskap – Aconitum napellus
Een vaste plant uit de Ranonkelfamilie, die tot 150 cm
hoog kan worden. De forse, weinig vertakte stengel draagt de sterk
ingesneden bladeren, de stengel eindigt in een bloeistengel, met de
mooie, apart gevormde, blauwe bloemen. Komt van oorsprong voor in de
bergstreken van Europa, Azië en Noord-Amerika, hij staat daar vaak in
grote groepen, omdat grazende dieren ze vermijden. Het is tevens een
veel aangeplante tuinplant. Monnikskap is zeer giftig.
Een
kruid waaraan zeer veel mythen en legenden zijn verbonden, bijvoorbeeld
het verhaal dat Herakles, de Hellehond Kerberos meebracht uit de
Onderwereld, toen het dier de zon aanschouwde, begon het woest te
blaffen, en uit het speeksel dat de grond raakte groeide de Monnikskap
(zie het gedicht van Vondel).
De Monnikskap die het snelst doodde zou in de tuin van
Hekate groeien, de Griekse Godin van de Tovenarij, moeder van Kirke en
Medea, beide ook al niet vies van enig getover. In de Oudheid werd het
gebruik van de Monnikskap als verdovend middel over de hele wereld
verspreidt. Het stond toen bekend als het snelst dodende gif, de Indiërs
noemde het zelfs ‘het opperste gif’.
Monnikskap is zeer giftig met name de wortel, het bevat
een aantal alkaloïden o.a. aconitine, en mesaconitine die eerst het
centrale zenuwstelsel stimuleren en later verlammen. Deze stoffen
veroorzaken een brandend gevoel op de tong, braken, buikkrampen,
diarree, verlamming en uiteindelijk de dood door verstikking. De dosis
die een hallucinerende werking heeft zit vrij dicht aan tegen de
dodelijke dosis.
Gevlekte Scheerling – Conium maculatum
Een tweejarig lid van de Schermbloemenfamilie. Het eerste
jaar vormt zich een bladrozet, waaruit in het tweede jaar de ongeveer
200 cm lange bloeistengels groeien. Deze stengels zijn helemaal kaal en
de onderkant vaak roodbruin gevlekt, en lijkt wat blauwachtig berijpt.
De bladeren zijn fijn verdeeld. De bloemschermen staan aan zijstengels
of op de hoofdstengel. De bloemen zijn klein en wit, mannelijke en
vrouwelijke bloemen zitten aparte schermpjes, de bloeitijd is van juni
tot augustus. In Nederland is de Gevlekte Scheerling vrij zeldzaam. De
plant houdt van stikstofrijke grond, bijdorpen, langs wegen en onder
heggen. De typische muizepiesgeur van de plant is een duidelijk kenmerk,
desondanks komen er soms toevallige vergiftigingen voor door
verwisselingen met andere schermbloemigen en door verontreiniging met
Anijszaad.
In het jaar 399 v. Chr. moest Socrates de gifbeker
drinken. Plato beschreef de laatste momenten van de grote filosoof. Hoe
hij eerst niet meer op zijn benen kon staan en dat vervolgens zijn
lichaam van onderen af gevoelloos werd tot het gif de longen en het hart
verlamde. Zeer waarschijnlijk nam Socrates, de Gevlekte Scheerling en
stierf hij aan de vergiftiging met de inhoudsstof van de plant die wij
tegenwoordig coniïne noemen. Het was een gebruikelijke doodstraf in het
oude Griekenland.
De Gevlekte Scheerling heeft in al zijn delen, maar met
name in het zaad een hoge concentratie aan giftige alkaloïden. De
belangrijkste is het onaangenaam naar muizenurine geurende coniïne. In
een minieme dosering is het narcotisch, verdovend en krampopheffend,
maar in de giftige dosis (die ook al heel klein is) veroorzaakt het
verlies van zintuiglijk gevoel, een complete verlamming van het lichaam,
verlies van spraak en uiteindelijk de dood door verstikking, gedurende
het sterfproces blijft het slachtoffer wel helder.
Bronnen:
-
Witchcraft in the Middle Ages,
Jeffrey Burton Russell.
-
Cows, Pigs, Wars and Witches, The Riddles of Culture,
Marvin Harris
-
Het Occulte,
Colin Wilson,
-
Eros and Magic in the Renaissance,
Couliano, Ioan P.
-
Het Compendium van Rituele Planten in Europa, Marcel de
Cleene en Marie-Claire LeJeune
-
Witchcraft in Europe 400-1700, Kors and Peters
-
Dictionary of Witchcraft, David Pickering
-
Over de Planten der Goden, Richard Evans Schultes &
Albert Hofmann
-
A Modern Herbal, Mrs M. Grieve
-
Flora Magica, I. S. Teirlinck
-
Flora Demonica, I.S. Teirlinck
-
The Golden Ass, Apuleius
-
Don Juan's Teachings: Further Conversations with Carlos
Castaneda, Carlos Castenada
-
www.themystica.com
-
www.whitedragon.org.uk
-
http://www.giftpflanzen.com/
-
http://users.lycaeum.org/~iamklaus/alter.htm
-
http://www.gober.net/victorian/reports/opium.html
ï
|