HERBA SANITAS

kruidenpraktijk-e-mailconsulten-kruidenopleiding-workshops-cursussen-lezingen

 

geschiedenis

 

Inleiding

Kruidenpraktijk

ADD / ADHD

e-mailconsult

Kruidenopleiding

Workshops

Workshops aan huis

Kruid van de Maand

Recepten

Theerecepten

Inhoudsstoffen

Zwangerschap en kruiden

Links

Literatuur

Kruiden in Beeld

Pyrrolizidine alkaloiden

Kruiden en Spiritualiteit

Geschiedenis Kruidengeneeskunde

Vliegzalf

Hildegard von Bingen

Reacties

Moestuinproject

Disclaimer

 

Geschiedenis van de Westerse (Kruiden) Geneeskunde

© Copyright 2007, Gonnie van Elteren, Herba Sanitas Alle rechten gereserveerd

(tekst geschreven door Gonnie van Elteren, op deze tekst rust auteursrecht, kopieren mag alleen met toestemming van de auteur, en met vermelding van de naam van de auteur)

Opvallend aan de titel van dit onderwerp, is dat het woord ‘kruiden’ tussen haakjes, voor het woord geneeskunde staat. Dit om duidelijk te maken dat de geschiedenis van de kruidengeneeskunst lange tijd parallel loopt met de geschiedenis van de geneeskunst in het algemeen. Tot in de 19de eeuw waren namelijk de meeste medicijnen die de mens tot zijn beschikking had afkomstig van plantaardige grondstoffen. Ook tegenwoordig is nog een deel van de reguliere medicatie, afkomstig van planten of van planten afgeleide stoffen.

 Wanneer de eerste mens op het idee kwam om een kruid medicinaal in te zetten is niet bekend, dat voorval heeft plaats gevonden in de verre prehistorie van de mensheid. En waarschijnlijk al eerder. Ook dieren maken namelijk gebruik van kruiden als geneesmiddel, biologen hebben dieren geobserveerd die planten eten die verder geen zichtbare voedingswaarde hebben. Een bekend voorbeeld zijn honden en katten die gras eten om van ongewenst ingeslikt haar af te komen, of grote grazers als koeien en paarden die in bepaalde tijden van het jaar een sterke voorkeur hebben voor bepaalde kruiden. Ook verschillende apen passen kruiden toe om bijvoorbeeld inwendige parasieten te bestrijden, om te kalmeren, of bij spijsverteringsklachten. Er is een voorval bekend van een drachtige Afrikaanse olifantenkoe, die actief op zoek ging naar een kruid dat haar mogelijk zou helpen om de geboorte van haar kalf te vergemakkelijken, hetzelfde kruid werd door de inheemse bevolking met hetzelfde doel toegepast. Het verschijnsel dat dieren kruiden toepassen wordt zoopharmacognosie genoemd.

 Er zijn talrijke verhalen allerlei culturen die vertellen hoe mensen de werkzaamheid van bepaalde kruiden van dieren hebben geleerd, zo kennen de Navajo-Indianen een legende over hoe een gewonde beer hun de antiseptische werking van de Osha Root (Ligisticum porteri) uitlegde.

 Onze voorouders stonden oneindig dichter bij hun natuurlijke omgeving dan wij, het observeren van dieren zal een manier zijn geweest om kennis over medicinale planten te vergaren. Een andere manier is ‘trial & error’, als mensen een bepaald gebied binnentrokken, waar de planten onbekend waren zullen ze voorzichtig van deze planten hebben geproefd om te kijken wat het effect zou kunnen zijn, de meeste giftige planten smaken onaangenaam bitter, wat mogelijke fouten sterk verminderd. Antropologisch onderzoek heeft laten zien dat bijvoorbeeld Australische aboriginals op een dergelijke wijze te werk gaan. Ook zal men veel geleerd hebben van ongelukken die onvermijdelijk voorkwamen door het eten van planten.

 Overlevingsdrang en nieuwsgierigheid leerden onze voorouders welke plant ze als voedsel konden gebruiken en welke niet, welke nuttig zijn bij bepaalde klachten en welke ronduit gevaarlijk waren, maar soms juist daarom ook weer uitermate nuttig. Sommige planten kregen een extra dimensie omdat ze bijvoorbeeld bewustzijnsveranderend werkten, deze planten werden in verband gebracht met het goddelijke of spirituele. Een aantal van deze planten werden ook zelf vergoddelijkt, bijvoorbeeld de Vliegenzwam of de Doornappel.

Al snel zullen er binnen de stamgemeenschappen mensen zijn geweest, met een speciaal talent om medicinale planten te herkennen en toe te passen, het oudste beroep van de wereld is dan ook niet dat van prostituee, maar dat van herborist. Deze manieren van genezen zullen een sterk sjamanistisch karakter hebben gehad, sjamanisme is gebaseerd op het idee dat ziekten veroorzaakt worden door factoren buiten het lichaam, bijvoorbeeld door een boos gemaakte vooroudergeest of door kwaadaardige entiteiten. De sjamaan trad binnen in de geestenwereld om de oorzaak van de ziekte te achterhalen en deze te bestrijden met behulp van bepaalde rituelen waarbij kruiden een aanvullende maar cruciale rol speelden.

Mogelijke afbeelding van een sjamaan uit de Trois Frere-grot in Frankrijk, 18.000 jaar oud

Het gebruik van medicinale planten in de prehistorie wordt bevestigd door archeologische vondsten over de hele wereld, met afbeeldingen van planten op rotsen, pollenresten in graven,  potfragmenten en menselijke resten (veenlijken).

In zich verder ontwikkelende samenlevingen zien we dat de sjamanen zich evolueren tot priesters. In bijvoorbeeld Mesopotamie en Egypte zien we dat de ziekteleer nog sterk samenhangt met het bovennatuurlijke, iedere arts was tevens en vooral ook priester/magiër.  Opvallend in deze eerste culturen die uit de prehistorie opdoemen is dat de eerste artsen die zij voorbrachten een Goddelijke statuur kregen, bijvoorbeeld Imhotep, de Arts/God van de Egyptenaren, Asklepias van de Grieken en Shen Nong bij de Chinezen.

Omdat deze culturen de schrijfkunst machtig waren, kunnen we in hun receptuur zien dat naast kruiden, ook spreuken en bezweringen tot het genezingsproces behoorden. Heel bekend is de Eber-papyrus (2000 voor Chr.), uit Egypte, deze bevat een lijst van verschillende kruidenrecepten, elk recept beschrijft het ziektebeeld waarvoor het gebruikt kan worden en instructies hoe men de remedie kan bereiden en toedienen. In Assyrie werd de kennis over geneeskruiden ook vastgelegd in geschriften, Ashurbanipal, Koning van Assyrie, 660 – 626 voor Chr. had een bibliotheek van medische tabellen, waarin 250 medicinale kruiden worden genoemd.

De Grieken brachten als eerste een onderscheidt tussen het ambacht van arts en dat van priester, wat een enorme ontwikkeling teweegbracht, men kreeg inzicht in het werkelijke effect van planten, er ontstond een begrip voor hygiëne en voor de ethiek van het genezer zijn. Toch werden ook hier artsen vergoddelijkt, bijvoorbeeld Asklepios (Aesculapius), 1250 voor Chr., de grootste, mogelijk de eerste wetenschappelijke kruidkundige, hij zou de zoon zijn van Apollo. Bij de Grieken zien we het begin van een wetenschappelijke empirische benadering van geneeskunst en het ontstaan van de eerste strikt medische theorieën over het ontstaan van ziekten en kwalen.

Asklepios en Hygieia

Uit verschillende kosmische theorieën werd een behandeltheorie voor de mens geformuleerd, de zogenaamde humoraaltheorie, men ging uit van vier elementen, de oerstoffen, die met de seizoenen corresponderen. De elementen lucht, vuur, aarde, en water behoren respectievelijk bij lente, zomer, herfst en winter. De elementen zelf zijn ontstaan uit een menging van vier fundamentele eigenschappen: heet, droog, koud en vochtig. Zo zijn lucht en lente, heet en vochtig, vuur en zomer, heet en droog, aarde en herfst, koud en droog en water en winter, koud en vochtig. De fundamentele eigenschappen vullen elkaar altijd aan, zij kunnen nooit ontstaan of vergaan, er is altijd een bepaalde mengvorm, tekorten van het een worden aangevuld, een teveel van een bepaald element wordt verwijderd.

 Deze theorie werd ook op de mens worden toegepast, de vier elementen, lucht, vuur, aarde en water, werden gekoppeld aan de vier humoren of lichaamssappen, die elk bij een orgaan horen. Uit verschillende kosmische theorieën werd een behandeltheorie voor de mens geformuleerd, de zogenaamde humoraaltheorie, men ging uit van vier elementen, de oerstoffen, die met de seizoenen corresponderen.

De vier humoren zijn bloed, gele gal, zwarte gal en slijm, corresponderend met de organen hart, lever, milt en hersenen. Ieder mens bezit deze vier sappen in een bepaalde menging, die een temperament veroorzaken dat bepalend is voor zijn persoonlijke eigenschappen, waarbij vaak een van de humoren overheerst Zo ontstaan de typen van de sanguinische of opgewekte mens, de cholerische of driftige mens, de melancholische of zwartgallige mens of de flegmatische of trage mens. Wanneer de menging van de humores in evenwicht is, is de mens gezond. Ziekte werd volgens deze theorie veroorzaakt door teveel of te weinig van een van de lichaamsappen ten opzichte van de normale toestand. Een van de grondleggers van deze theorie was de grote arts Hippokrates, de theorie werd tot in de 19de eeuw gebruikt om ziekten te verklaren, de natuurgeneeskunde maakt er nog steeds gebruik van, wel in een aangepaste vorm. Artsen zweren nog steeds een Eed van Hippokrates voordat zij hun beroep gaan uitoefenen, al is deze inmiddels wel aangepast aan de moderne tijd. Ook kan Hippokrates gezien worden als de grondlegger van de signatuurleer.

De Grieken legden hun kennis vast in tal van boeken. Diocles Carystius schreef het eerste Griekse kruidenboek, er is helaas geen exemplaar van overgebleven. Theophrastus van Eresus (372-286 voor Chr.), een leerling van Aristoteles, schreef het eerste medische botanische handboek, het bleef meer dan 1500 jaar in gebruik als referentieboek.

De Romeinen namen veel over van de Grieken. Griekse artsen werden ook door de Romeinen als zeer kundig gezien. Een aantal artsen zijn zeer bekend geworden, bijvoorbeeld Andromachos, de lijfarts van Nero, omdat Nero zo bang was voor vergiftiging (zoals de waard is, vertrouwd hij zijn gasten) heeft Andromachos het middel Theriak uitgevonden, met daarin een grote hoeveelheid ingrediënten waaronder opium en slangenvlees, de gebruiker zou onkwetsbaar worden voor gif, bovendien zorgde het middel voor een gevoel van welbehagen, wat niet verwonderlijk is gezien de grote hoeveelheid opium. Theriak is tot in de 19de eeuw een algemeen geaccepteerd geneesmiddel geweest.

Een andere grote arts was Dioscorides, een militaire arts, ook uit de tijd van Nero, hij reisde met de Romeinse legers mee op hun veroveringen, en overal waar hij kwam bestudeerde hij inheemse geneesmiddelen, net als de moderne etno-botanici. Hij heeft een groot werk geschreven, de ‘Materia Medica’, waarin hij wel 600 medicijnen beschrijft van plantaardige, minerale en dierlijke oorsprong. Dit boek was een mijlpaal in de geneeskunde en werd tot in de 17de eeuw gebruikt.

Afbeelding uit een 12de eeuwse Arabische uitgave van de Materia Medica van Dioscorides

Ook moet Plinius de Oudere genoemd worden, hij schreef de voorloper van de encyclopedieën,  de ‘Naturalis Historia’, met daarin ook een compleet overzicht van de toen bekende geneesmiddelen van plantaardige en dierlijke oorsprong. Galenus uit de 2de eeuw na Chr. paste de humoraaltheorie ook op medicijnen toe en bedacht veel nieuwe manieren om medicinale kruiden te verwerken en toe te passen, wij noemen dat nog steeds Galenische preparaten, hieronder vallen verschillende zalven, extracten en stropen, ook was hij zeer exact in zijn receptuur, voor Galenus enkele regels opstelde, was het vaak gokken met de juiste hoeveelheden van een bepaald kruid.

Na de val van het Romeinse Rijk braken in Europa de donkere middeleeuwen aan, alleen in kloosters werd de kennis van genezen en kruiden nog bewaard. Je ziet een terugkeer naar magisch denken in de weinige boeken die in deze periode in West-Europa geschreven worden over kruiden en geneeskunst, bijvoorbeeld in het Angelsaksische geschrift ‘Lacnunga’ en het Leech Book of Bald (ca. 950), samengesteld door Bald, een vriend van Koning Alfred. Dit was het eerste kruidenboek in Europa dat niet gebaseerd was op de klassieke Griekse werken, de kennis van de beschreven kruiden is opmerkelijk.

In het Oost-Romeinse Rijk bleef de Griekse traditie echter in gebruik, de arts-wetenschapper Oribasius schreef compilaties van de bekende klassieke werken over geneeskunst en kruiden. De geneeskunst uit de oudheid werd zelfs nieuw leven in geblazen door de Arabische geneesheren toen Byzanthium veroverd werd door de Moslims. De Arabische artsen waren buitengewoon kundig, zij combineerden de Grieks-Romeinse kennis met Hindoe en Islamitische tradities. Onder hen ontstond ook het beroep van apotheker als specialisatie. Arabische artsen gingen een ziekte het eerst te lijf met zachte middelen, meestal werd er eerst gegrepen naar dieetvoorschriften. Rhazes, een koninklijke arts uit Bagdad, 865 – 925 is het vermelden waard, maar vooral Avicenna (980-1037), deze schreef de Canon Medicinae, dat alle kennis samenvoegde uit de hele Arabische Wereld. Dit bleef een standaardwerk op universiteiten tot 1650. Abulcasis, omstreeks 1013 in Spanje, bereikte grote hoogte met het gebruik van kruiden in zijn medische praktijk.  Maimonides, een joodse arts uit het Arabische Spanje, Op latere leeftijd vestigde Maimonides zich in Egypte waar hij als rabbi en arts werkte Uiteindelijk werd hij de lijfarts van Saladin. Arabische artsen maakten veelvuldig gebruikt van Aloë. Ook gebruikten ze Alruin om de verdovende werking. Suiker werd gebruikt om pillen een lekker smaakje te geven. De Arabieren waren de eerste die alcohol en etherische oliën konden destilleren en deze beide technieken werden dan ook toegepast bij het genezen van ziekten.

Fragment uit de Canon van Avicenna, met daarin verbeeld de drie stadia van een artsenbezoek aan een patient: het onderzoek, het gesprek met alle betrokkenen en het uitschrijven van een recept.

In West-Europa bracht Karel de Grote weer wat licht in de duisternis door o.a. een lijst op te stellen van een aantal kruiden die verplicht in een kloostertuin moesten worden aangeplant. In de 12de eeuw was de Dominicaner Abdis Hildegard von Bingen de eerste vrouw die haar kennis van kruiden op schrift liet stellen. Ook was er de School van Salerno, een van de eerste instituten die in de Middeleeuwen, waar medisch onderricht gegeven werd, deze school was voor een deel ook toegankelijk voor vrouwen, wat uniek was voor deze tijd. In Salerno werd een kruidenboek samengesteld door Mattheus Platearius, het boek genaamd Liberde Simplici Medicina (midden van de 12e eeuw), een ander in Salerno geschreven boek was Regimen Sanitatis Salern door Arnold van Villa Nova, een Catalaan. Deze beide werken hadden een grote invloed in de Middeleeuwen. Door de kruistochten raakte men in Noord-Europa bekend met de Arabische geneeskunst en de werken van de Arabische artsen werden vertaald in het Latijn, indirect kwam men toen ook weer in aanraking met de geneeskunst en de kruidenkennis uit de klassieke oudheid.

De invloed van de kerk was echter zeer groot en betekende veelal een stagnatie in de ontwikkeling en zelfs een achteruitgang, kruidengeneeskunde en geneeskunst werd in verband gebracht met paganisme en hekserij, zeker als deze werd beoefend door vrouwen. De kennis over de menselijke anatomie bleef ver achter vanwege het verbod op sectie op lichamen, waardoor er lange tijd bizarre ideeën de ronde deden over het inwendig functioneren van de mens. Het veelvuldige gebruik van purgeer – en braakmiddelen en aderlaten waren een gevolg van deze theorieën, die weliswaar gebaseerd waren op de klassieke oudheid, maar nimmer werden getest op hun werkelijke effect. Bekende boeken uit de latere middeleeuwen zijn de 'Rosa Medicinae' (ook bekend als Rosa Anglica) geschreven rond 1314 was het eerste belangrijke werk in het Engels over kruidengeneeskunde, het werd geschreven door een monnik, John of Gaddesden, het combineert Griekse, Arabische, Joodse en Saksische medische en botanische kennis met persoonlijke praktijkvoorbeelden. In Duitsland verscheen het 'Boek der Natuur' van Konrad von Megenberg 1309 – 1374 .        

De omslag kwam met de komst van de Renaissance, toen naast het teruggrijpen op de ideeën uit de Klassieke Oudheid, ook de geest van de empirie weer terugkeerde. Door de uitvinding van de boekdrukkunst en de ontdekkingsreizen in de 16de eeuw werd kennis meer verspreidt en kwamen er ook onbekende kruiden en andere middelen op de markt. Dit had uiteraard een invloed op de geneeskunde, meer mensen kregen belangstelling voor geneeskunde en botanie, in deze tijd ontstaan ook de prachtig geïllustreerde kruidenboeken o.a. van Dodoens uit de Zuidelijke Nederlanden, die zich nog steeds baseerde op de geschriften van Dioscorides. En eerder al het 'Kreuterbuch' van Hieronymus Tragus 1539 in Duitsland, dit gaf precieze beschrijvingen van alle toen bekende planten. In Engeland verscheen ' The New Herbal' van William Turner 1551, dit boek bestudeerde de kruiden wetenschappelijk en medisch. Turner leefde en kweekte kruiden in Kew (waar nu nog de Koninklijke Botanische Tuinen zijn).   John Gerard’s 'Herball' (1597) was gebaseerd op het werd van Dodoens, het werd aanmerkelijk uitgebreid door Thomas Johnson in 1633, wat het een waardevol werk maakt, meer dan 3000 planten worden genoemd.

Het Cruydtboeck van Dodoens

 Paracelsus werkte de signatuurleer verder uit en werd de vader van de moderne chemie. Naast kruiden paste hij ook  ijzer, kwik, zilver en andere anorganische stoffen in medisch gebruik. In eerste instantie met veel nadelige bijwerkingen.

     In 1617 werd de Worshipful Society of Apothecaries of London gesticht. Apothecaries (Chirurgijnen) verzorgde de patiënten en gaven medicijnen, de artsen stelden enkel de diagnose en schreven medicijnen voor, zij voelden zich te goed voor handwerk

In de 17de eeuw beschreef de Engelse kruidenarts Nicholas Culpeper vele kruiden en hun geneeskrachtige werking, hij baseerde zich op de astrologie en de signatuurleer. Doordat de kerk het verbod op snijden in lijken voor anatomische lessen versoepelde kwam er meer kennis over het menselijke lichaam, de boeken van de anatoom Vesalius zorgde voor een doorbraak, oude Griekse ideeën kwamen op de helling te staan.

De ontdekkingsreizen leiden ertoe dat er steeds meer nieuwe planten medicinaal werden gebruikt, ze waren ook vaak een 'hype', want zeldzaam en kostbaar, dus moesten ze wel een bijzondere werking hebben, in een aantal gevallen was dat ook zo. Deze nieuwe planten moesten ook beschreven worden, maar ook in de nieuwe kolonien zelf ontstonden tradities, gebaseerd op de al aanwezige kennis van de inheemse bevolking en de Europese geneeskunst. Een afstammeling van een van de Pilgrim Fathers, Samuel Thompson 1769-1843, werd beroemd door het populariseren van de traditionele Indiaanse geneeskunst en door het stichten van verschillende kruidenscholen en botanische sociëteiten door heel de USA. In 1830 bracht Dr. A.I. Coffin het systeem van Thompson naar Engeland en Europa, en zorgde voor een revival door erover te schrijven en lezingen te geven.

In de 19de eeuw werd er voor het eerst werkzame stoffen geïsoleerd uit kruiden, men begon met diverse alkaloïden zoals in 1817, morfine uit de Papaver somniferum, in 1820 kinine uit de Cinchonasoorten, in 1833 atropine uit de Atropa belladonna en in 1860 cocaïne uit de Erythroxylum coca. Door deze ontdekkingen werd de kruidengeneeskunde steeds meer volksgeneeskunde, door artsen werd het in toenemende mate als achterlijk beschouwd, vooral toen bleek dat veel werkzame stoffen uit planten ook chemisch na waren te maken. Geneeskunde werd steeds meer chemie, en steeds minder botanie. Ook kwam de arts steeds meer op een voetstuk te staan, de afstand tussen arts en patiënt werd steeds groter.

Toch was daar in het begin van de 19de eeuw Samuel Hahnemann, een Duitse arts en de grondlegger van de homeopathie, in deze manier van genezen speelde kruiden of verdunningen daarvan toch weer een vooraanstaande rol.  Een andere opvallende medische richting waarin kruiden een belangrijke rol speelden was Eclectic Medicine, deze term werd bedacht door Constantine Samuel Rafinesque (1784- 1841, een botanicus die leefde onder de Indianen en een studie maakte van hun gebruik van medicinale planten. Eclectische artsen combineerden kruidenkennis met voor die tijd moderne laboratoriummethoden. Het  Eclectic Medical Institute werd in de jaren '30 van de 19e eeuw gesticht als een alternatief voor de reguliere geneeskunst van die tijd. In het begin van de 20ste eeuw ontstond de aromatherapie, de grondlegger was Rene-Maurice Gattefosse, een Franse chemicus, ook hierin speelde kruiden de hoofdrol. Dr. E. Bach uit Engeland introduceerde in de jaren 30 de bloesemtherapie.

Vanaf de jaren 60 van de 20ste eeuw kwam er weer meer belangstelling voor de kruidengeneeskunde, veel mensen kregen genoeg van de chemische geneesmiddelen. Door het verbeterde onderwijs vielen dokters van hun voetstuk en gingen mensen zelf op zoek naar middelen die bij hen pasten. Ook binnen de wetenschap ontstond weer interesse in planten als pure bron van gezondheid. Een nieuw vak werd etnobotanica, waarbij botanici op zoek gingen naar de traditionele genezers in zogenaamde primitieve culturen, deze mensen bleken een enorme kennis te hebben over de hun omringende planten en hun geneeskracht. In veel ontwikkelingslanden waar al een rijke traditie bestond op het gebied van kruidengeneeskunde wordt veel onderzoek verricht naar deze betrekkelijk goedkope bron van medicijnen, in vergelijking met de zeer dure medicijnen van de farmaceutische industrie. Ook blijkt na onderzoek dat veel pure kruidengeneesmiddelen over het algemeen veel minder bijwerkingen hebben dan chemische middelen of stoffen die geïsoleerd zijn uit plantaardige middelen. Kortom de kruidengeneeskunde begon weer in het middelpunt van de belangstelling te staan.